dinsdag 30 juni 2020

Deel 8 : De geestmenselijkheid vormt de inhoud van de cultuurwetenschap

Ons observatievermogen moet zich opnieuw op het eigenlijk zingevende element, het geestelijke vormgevigsvermoge richten dat alle voorlopigheden doordringt. Er werd reeds op gewezen dat wij tot dit element van ons bestaan eveneens in een vrijheidsverhouding staan, omdat wij daarmee actief verbonden, omdat wij zijn voortbrenger in ons bewustzijn, zijn meedoener zijn. De begrippen en ideeën hebben nu een eigenschap die precies het tegengestelde van de basiseigenschap van onze waarnemingen is. De basiseigenschap daarvan is hun samenhangloosheid. Waarnemingen zijn relatieloze enkelheden. Daarom moet hen eerst de samenhang bijgebracht worden. Daartoe zijn de begrippen in staat, omdat ze door zichzelf samenhangen. Anders moest ook hen de samenhang bijgebracht worden. Op grond van deze in henzelf liggende samenhang vormen de begrippen een gesloten, weliswaar onderverdeelde maar nergens onderbroken eenheid. De geestelijke wereld is één groot, harmonisch organisme. De wijd reikende betekenis van dit feit moet volledig op waarde geschat worden. Want wanneer een denkend mens door zijn denkactiviteit zich met een gedachte, wanneer hij deze met zich verbindt, wanneer hij daarmee door zijn voltrekken daarvan tot een wezen versmelt, dan verbindt hij zich daardoor, feitelijk, met de hele geestelijke wereld – ook wanneer hij zich aanvankelijk slechts zeer onduidelijk daarvan bewust is. In de gedachten die de mens denkt, vervat hij zich in zijn geestelijk wezen; ze zijn zijn geestelijk wezen dat hij zomin bezit als dat het dwang op hem uitoefent, dat hij veeleer zich slechts in onophoudelijke activiteit, in innerlijk voortbrengen eigen kan maken en dat juist omdat het zich aan de dwang onttrekt die hem een bezitter zou opleggen, zelf een vrijlatend element in het zich-niet-onthouden is. Want van degene die wij bezitten en trachten te bezitten, maken wij ons afhankelijk, wij verliezen onszelf in datgene waarop wij dwang uitoefenen, verontwaardigen onszelf tot een ding, waar wij de in het bezit genomene  tot ding verontwaardigen. Ware winst kan alleen vrije en bevrijdende liefde zijn. De geestelijke zelfvoortbrengingsakt is de hoogste winst die zelfschenking en tegenschenking betekent. Want in het actief zichzelf-schenken aan een zichzelf schenkend idee is (feitelijk, hoewel ook niet qua bewustzijn) de hele geestelijke wereld betrokken en ingetrokken, geconcentreerd in de hele menselijke activiteit. Elke gedachte waarin zich de mens zelf waarachtig begrijpt en die hij in volbewustheid observeert, is daarom overstraalt door de glorie van de geestelijke wereld – boven hem verschijnt de hiërarchische ordening van de wereld opbouwende wezenswereld. Want de geestelijke wereld is ja niets anders dan datgene wat in individuele menselijke denkakten als geestelijke menselijkheid ontstaat.

Het tot nu toe uitgevoerde diende de aandacht van de lezer op twee zijnswijzen te richten, waarin zich de mens in het leven uitdrukt, op zijn lichaamsmenselijkheid enerzijds en op zijn geestmenselijkheid anderzijds. Terwijl echter zich de mens in zijn lichaamsmenselijkheid in de wijdte van het natuurlijke zijn uitgebreid beleeft, beleeft hij zijn geestmenselijkheid in zijn individuele denkakten gerepresenteerd, samengetrokken. Zoals de ontgeestelijking de fysiologische voorwaarden van de vrijheid is, is de representatie van de geest in individuele akten de geestelijke voorwaarde van de vrijheid.

Net zoals de lichaamsmenselijkheid moet ook de geestmenselijkheid van de mens de inhoud van een ware hogeschoolopleiding zijn. De geestmenselijkheid vormt de inhoud van de cultuurwetenschap. Ook in dit gebied is deze opleiding vrij, is de hogeschool een vrije hogeschool, want, zoals ontwikkeld werd, is de mens met zijn geestelijk wezen als diens producent in vrijheid verenigd.

Daarmee wordt echter ook inzichtelijk dat de zindragende basisgedachte van de eigenlijke geesteswetenschappelijke of geestmenselijke hogeschoolopleiding de antwoord is op de andere van die beide machtigste vragen die in ons leeft – op de vraag naar de zin van ons lot.

Deze vraag beantwoordt zich in het opzien naar de geestelijke wereld. Want die ontwaren wij als de menselijkheid in haar volkomenste wezensopenbaring, als het hoogste menselijk ideaal, als de geestmens. Deze is alle mensen gemeenzaam en leeft desondanks alleen in de individuele voltrekkingen van de individuele mens. Want hij oefent generlei macht uit, maar leeft alleen liefelijk in hun geestelijk-scheppende liefde. Hij is het totaalbewustzijn dat echter alleen geheel individueel verwezenlijkt kan worden. Hij is het ene, dat veel is, en het vele dat een is. Want in onze denkactiviteit verwezenlijken wij wat alle mensen gemeenzaam is – en dat wat alle mensen gemeenzaam is, wordt alleen door elk afzonderlijk mens geheel individueel verwezenlijkt.

Deze geestmens, dit totaalbewustzijn is het geestelijk-wezenlijke waartoe we steeds (min of meer bewust) in onze terugloop en onze terugblik uit onze voorlopigheden terugkeren – het is het geestelijk-wezenlijke dat wij voortdurend in onze voorlopigheden binnendragen, waarmee wij die doordringen en ordenen – waardoor wij echter ook dit geestelijk-wezenlijke elke keer een bijzondere gestalte geven, naarmate de geaardheid van het voorlopige waarmee het zich verbindt. De geestmens is het geestlevende organisme van alle vormgevende krachten van onze wereld, hij is de behoeder van elke gedachte en elke handeling, hij is de wachter van de vrije menselijkheid die niet naar machtsbezit streeft maar naar schenkende deugd die zich des te meer vervult naarmate ze zich opoffert.

Deze geestmens bepaalt als oerbron van alle ordening ook de geaardheid van de natuur, dus van de lichaamsmens, die ja de eenheid gevende zin van de natuur is. Het is de geestmens die in de lichaamsmens de fysiologische grondslag van de menselijke vrijheid schept. Door de fysiologische grondslag van zijn vrijheid wordt de individuele mens in staat gesteld zijn vrijheid te verwezenlijken. Dit betekent echter dat hij ertoe beroepen is de geestmens in zichzelf een nieuw wezensvorm te geven, namelijk de karakteristieke menselijke vrijhheidsgestalte. Dat dus de mens in de voorlopigheden van zijn lichaamsmenselijkheid werd gestuurd, heeft de eeuwigheidszin dat daardoor de vrijheidsgestalte van de mens moge ontstaan. Deze vrijheidsgestalte is de door de mensen nieuw verrezen gestalte van de geestmens en daarmee de geestelijke wereld en wederom daarmee de hele wereld, daar ja de geestelijke wereld ook de natuurlijke wereld doordringt. Deze door de mensen nieuw verrezen vrijheidszin wordt in de terugblik uit de voorlopigheden herkent. Het is de zin van ons lot. Want in dit lot stuurt ons de geestelijke wereld, sturen we onszelf vanuit onze geestmenselijkheid.

Zoals dus de zin van onze lichaamsmenselijkheid de fysiologische voorwaarde van onze vrijheid is, is de zin van lot de geestelijke voorwaarde van onze vrijheid, de mogelijkheid om de geestelijke wereld in individuele akten voort te brengen. Beide zijn niet machtsgedachten, maar liefdesgedachten. Want het zijn gedachten niet ter bemachtiging van de werkelijkheid maar de lieflijke vereniging daarmee.

We hebben gezien dat de basisidee van een waarachtige hogeschoolwetenschappelijke opleiding, onderzoek en onderwijs op het natuurwetenschappelijk gebied van de hogeschool een natuuraanschouwing moet zijn die als het zingehalte van de natuur het ontstaan van de menselijke lichamelijkheid als de fysiologische voorwaarde van de vrijheid blijkt te zijn. Wij onderkennen voortaan bovendien dat de basisidee van het geesteswetenschappelijke gebied van een ware hogeschool de beschrijving van de geestelijk-lotsmatige voorwaarde van de menselijke vrijheid moet zijn. Dit is de zin die in de ontwikkeling van de geestelijke wereld en die van de menselijke cultuur moet worden aangetoond – het steeds bewustere beleven van het geestelijk-culturele als verwezenlijking van de eigen hoogste wezenheid. In de idee van het onderwijs van het menselijke geslacht als de zin van de cultuur heeft Lessing de ontwikkelingshistorische bewustwording van de geestmenselijkheid vooruit gezien en de opgave van de cultuurwetenschap voorgetekend. De ontwikkelingsfasen van de openbaring van de geestmens in de cultuurperioden worden aan het wezen en werken van de representanten van het menselijke geslacht afgelezen. Dit wetenschappelijk gebied is daarom geschiedkunde in haar individuele en evolutionaire betekenis.

maandag 29 juni 2020

Deel 7: Alle menswetenschappen moeten esthetische wetenschappen zijn

Voor wie de volledige betekenis hiervan beseft, begint een kennisverzadigd beeld van de natuurlijke kant van de wereld, de natuur zich te vormen.

We zien de stapsgewijs verlopende natuurlijke ontwikkeling tenderen naar de vorming van een menselijke organisatie. Dit is een werkschepping waarin de in de gestalten van de natuurwezens uitlopende krachten, de natuurvormende krachten wederom teruggetrokken worden – het is de plaats waar de natuurvorming weer terug gevormd wordt. Dit vindt plaats daar waar het proces van zelfbewustwording ontstaat. Van hieruit vinden we het antwoord op een van die machtigste vragen
dat het uitgangspunt van deze beschouwing vormde, en waar een hogeschoolstelsel dat deze naam verdient, een ware hogeschool niet aan voorbij kan gaan. Want voortaan wordt de zin van onze belichaming inzichtelijk, waardoor wij binnen de vlucht der voorlopigheden aan alle twijfels, kwalen en noden blootgesteld zijn. Dit zingehalte ontstaat voor ons in het inzicht dat wij als volbewust kennende wezens niet in een kant en klare wereld verband en geband zijn, veeleer in een wereld leven die vanuit een afbouwtoestand door ons eerst weer opgebouwd moet worden. Een voltooide wereld zou ons aan de dwangen van haar geaardheid onderwerpen – zoals dat overal ook daadwerkelijk het geval is waar wij niet als kennende wezens maar slechts als bestaande schepsels onder andere wezens optreden. Als kennende wezens laten wij echter op het schouwtoneel van ons bewustzijn een wereld ontstaan die ons niet aan haar dwang kan onderwerpen, omdat wij zelf haar voortbrengen. De mens is het verzet tegen de dwang in de wieg gelegd. Hij is ook in zijn lichamelijkheid de geboren rebel tegen alle vormen van onderdrukking. Menselijkheid begint pas daar waar de dwang wordt overwonnen.

Hier is een bezwaar mogelijk dat zich stoelt op het feit dat we de wederopbouw van de afgebouwde wereld met behulp van begrippen bewerkstelligen. De begrippen vormen echter een compact systeem dat volgens deze immanente, door ons onaantastbare wetten geschapen is. De denkwetten, waarvan de zichzelf dragende geldigheid de inhoud van de logica vormt, hebben het gangbare begrip hieromtrent misleid tot het gezegde van logische dwang en dwingend inzicht. Toch ontbreekt aan deze dwangvoorstellingen (ze zijn dat in de tweevoudige zin van het woord) de introspectieve zielenobservatie. Want ook tegenover deze scheppingen van ons denken staan we niet in een passieve verhouding, zoals dat het geval zou zijn, wanneer ze dwang op ons zouden uitoefenen. In feite zijn wij echter ook hier doeners. Niet de denkinhouden werken op ons in, maar wij brengen ze door onze denkakten tevoorschijn. Wij zijn niet begrippenontvangers maar begrippenvolvoerders. Ook zogenaamde invallen, d.w.z. het plotseling opduiken van een voorheen niet bevatte gedachte of bijzonder snel aflopende gedachtenverbindingen – beide treden alleen in de vorm van onze eigen innerlijke activiteit op. De mens is in de hele omvang van zijn wezen niet een schepsel van indrukkingen, maar een schepper van uitdrukkingen. Alle menswetenschappen moeten daarom esthetische wetenschappen zijn. De mensheid begint immers pas overal daar waar de duistere hatelijkheid wijkt voor de lichtende schoonheid van de vrijheid.

In de zin van het voorafgaande openbaart de wezensaard van onze lichamelijkheid haar zin. Die wordt gezien wanneer geobserveerd wordt dat het de lichamelijkheid is die de afbouw van de zonder ons opgebouwde wereld bewerkstelligd. Daardoor wordt ze tot de fysiologische grondslag van onze vrijheid. Hieruit ontstaat het zinbegrip voor de totale natuurlijke ontwikkeling. Want de zin daarvan bevatten we juist daarin dat ze een menselijke organisatie schept die op zich zinvol is, omdat ze door haar afbouwwerking de grondslag van de menselijke vrijheid vormt.

Daarmee is echter ook het wezen en de taak van een vrije hogeschoolopleiding aangeduid, in zo ver deze natuurwetenschap is. Een waarachtige hogeschoolachtige opleiding op het gebied van de natuurwetenschap moet de samenhang van alle natuurverschijnselen en de hele natuurlijke ontwikkeling met het ontstaan en de wezensaard van een menselijke organisatie aantonen onder het leidende gezichtspunt dat deze haar zingehalte ontvangt, doordat ze de fysiologische grondslag van onze vrijheid is.

Dat is de basisgedachte die de hele natuur doordesemt en daarom de leidraad van het onderzoek moet zijn die daaraan gewijd is. De basisgedachte van natuurkennis is niet een machtsgedachte, maar een liefdesgedachte, niet een dwanggedachte maar een vrijheidsgedachte. Want hij verenigt ons in het begrip voor de natuurwording en herbergt ons in een wijsheidsvolle ordening die over ons wezen waakt.

Daar is nog een verdergaande gedachte aan toe te voegen. De zingedachte die de hele natuur omvat en op het ontstaan van een menselijke lichamelijkheid wijst, is ja onze gedachte. Wij leven met deze gedachten in alle natuurverschijnsels, ze zijn in de zin van het tot nu toe naar voren gebrachte de voorlopigheden waartoe hij (de gedachte) in de verhouding van de heelheid scheppende vormkrachten staat. Hij is dus het geheel waar we ons bij terugloop en terugblik steeds aan wijden moeten, indien we willen begrijpen hoe zich de afzonderlijke natuurfeiten tot elkaar verhouden en hoe hun holistische zingeving zich daarin metamorfoseert. Het is de zingevende universale van de natuur. Deze eenheidsgedachte is juist die van de lichaamsmenselijkheid. Met deze gedachte begrijpen we de natuur, begrijpen we ons in de natuur. Wij aanschouwen ons in de natuur als de lichaamsmens die zich, nadat hij zich in haar voorlopigheden uitbreidde, tot zichzelf als de fysiologische drager van zijn vrijheid terugkeert. De idee van de lichaamsmens is de over de hele natuur uitgebreide zin, waardoor wij de hele natuur zodanig deelachtig zijn dat zij de periferie van onze lichamelijkheid en deze haar centrum is.

zondag 28 juni 2020

Deel 6 : Ons lichamelijk zenuw-zintuigstelsel is het radicale ontbindingsmiddel van de wereld

Door deze beide in verschillende richting verlopende en zich doordringende bewegingen bouwen we dus onze wereld en haar gestalten op. In dit verband moet nu echter nog aan een zeer belangrijk functioneel verband gedacht worden, zonder hetgeen door ons voltrokken en beleefd vormgevingsproces niet af zou kunnen lopen.

Dat wat wij in het rugwaarts voorstellen van ons handelen en bij de terugblik op de heelheden bij het vormen van de gestalten van onze wereld steeds werkzaam moeten maken en in het oefenende observeren bewust kunnen maken, zijn ja de oorsprongen van onze bewegingen en onze vormgevende observaties, de oorsprongen en de vormgevende machten van ons kennen en handelen. Deze vormgevende machten (we kunnen ze gedachten en ideeën noemen) dragen wij in onze voorloop en vooruitblik voortdurend binnen in ons handelen en ons kennen. Met deze in de terugloop bereikte en daarna weer als het ware voorwaarts gedragen vormmiddelen en vormmachten bouwen wij, zoals gezegd, de gestalten van onze wereld in hun voorlopigheden op. Wat wij op deze wijze opbouwen is echter niet ons onafhankelijk werk, maar een nabouwen van een wereld die reeds eerder, zonder ons opgebouwd werd. Doordat we de opbouw van onze wereld en haar gestalten nabouwen of meebouwen en dit normaliter onbemerkt proces observeren, worden wij ons ervan bewust hoe deze opbouw ontworpen, uit welke elementen deze samengesteld is. Hij is uit de voorlopigheden en de teruglopigheden samengevoegd, uit de permanente holistische gestalten en holistische gebeurtenissen vormende vormkrachten en hun voorlopige, voorbijgaande verschijningsvormen. Overal is datgene wat in de afzonderlijke verschijnsels voorloopt en dat wat in de niet verschijnende, maar vormgevende heelheid ervan terugloopt, met elkaar verbonden. In alle wereldverschijnselen zijn beide verenigd. Slechts op een plaats is deze verbinding onderbroken. Deze onderbreking is het uitermate beduidende functioneel verband dat vanaf nu onze aandacht opeist.

Deze onderbreking vindt plaats in de mens, in de geheel eigenaardig geaarde menselijke organisatie. Omdat in de mens deze onderbreking plaats vindt, moet hij zich als kennend en handelend wezen voortdurend tot twee kanten wenden, moet hij in twee richtingen lopen, in de richting van de voorlopigheden en de richting van de permanente loopsheden, opdat hetgeen gescheiden is, herenigd worde. Daarom ontmoeten zich in zijn bewustzijn twee totaal verschillende elementen: enerzijds de waarnemingen van zijn zintuigen die hem de ongeordende grondstof van zijn voorlopigheden leveren – en anderzijds de gedaantes van zijn denken, de begrippen en ideeën die hij aan de vormgevende machten van zijn teruglopigheden ontneemt. Pas wanneer hij beide in zijn kennen opnieuw versmelt, is de in haar bestanddelen opgebroken wereld weer gezond en heel.

Hoe komt het tot deze scheiding van de wereldelementen, tot deze afbouw van de wereldbouw in de mens?

Het valt zeker meteen te zien dat deze afbouw met de lichamelijke organisatie van de mens samenhangt en wel vooral in zo ver dat deze een zenuw-zintuigstelsel blijkt te bezitten. Ons zenuw-zintuigstelsel stelt ons ja onze waarnemingen ter beschikking, echter als louter samenhangsloze enkelheden waarvan de geestelijke band ontbreekt. Het zijn louter zich voortdurend isolerende, samenhangsloze voorlopigheden, die pas door de vormgevende heelheden, de begrippen en ideeën, tot gedaantes, gestalten, schepsels, processen en gebeurtenissen geordend moeten worden. Ons lichaam, vooral voor zo ver het een zenuw-zintuigstelsel bezit, is het radicale ontbindingsmiddel van de wereld. Want het filtert door een soort zeefwerking de begripsmatige verbanden en ideeën uit de waarnemingen van onze zintuigen. Of in een ander beeld: Van de wereldbouw blijven onder de invloed van ons stelsel alleen de afzonderlijke bouwstenen over, de wereldlijm, het wereldcement moet eerst naderhand tot de uit elkaar vallende bestanddelen weer toegevoegd worden.

Een kubus heeft voor onze zintuigen, voor ons gezichtsvermogen of tastzin, geen zijden, kanten en hoeken, maar alleen volledig ongeordende enkelwaarnemingen, die pas door onze begrippen hun bestemming, samenhang, ordening, hun holistische structuur moeten verkrijgen.

zaterdag 27 juni 2020

HET SCHEPPEN VAN EEN BOVENWERELD - Inleiding op de reeks Sociaal-esthetische Studies van Herbert Witzenmann en zijn Ten geleide bij de 2de uitgave van dit nummer

Deze reeks, die met het eerste nummer Handvest der menselijkheid werd ingeleid, zou in vervlogen tijden nauwelijks een rechtvaardiging van haar tekstenaanbod nodig hebben gehad, zoals men die vandaag de dag vermoedelijk wel verwacht. De verbinding van het sociale met het esthetische lijkt, gezien de toestand van ons openbare leven slechts bevreemding te kunnen wekken. Immers, de omstandigheden waarin wij actief en passief verwikkeld zijn, ontberen enerzijds iedere aantrekkingskracht voor de goede smaak, anderzijds lijkt het nuttige dat wij noodzakelijk achten hoogstens de schone schijn, amper de schoonheid zelf te behoeven. Met elke blik die we meer dan 150 jaar terugwerpen, worden we derhalve gewaar - wellicht met verwondering, wellicht met schrik gelet op de saaiheid van onze gewoonten of onze behaaglijke zelfwaan - welke waarde de ons voorafgaande beschavingen hechtten aan de harmonische vorming van hun representatief uiterlijk en met welke trots de groten van die wereld vervuld waren bij het impulseren en scheppen van een bovenwereld. En hoe verder wij de tijdperken terug volgen in de richting van de oertijd, hoe ondubbelzinniger ons de gebundelde kracht van nationale culturen in werken van schoonheid voor ogen treedt. Het oprichten van het edele werd niet in loondienst gedaan, maar bestond in een vreugdevol-blij bekentenis, het bestaan was geen vertering van indrukken, maar de tuinierende cultivering van de zich in het Rijk vertakkende uitdrukkingskracht. Die volkeren vormden zichzelf doordat ze de wereld vorm gaven, niet om door een borstwering van het nuttige hun overleven veilig te stellen, maar om het beeld van hun (hoe dan ook onwillekeurige) zelfkennis als het in zichzelf gelukzalige en daarom heilige af te schilderen.
            
De sociale esthetica is de wetenschap van de toekomst, zoals de esthetisering überhaupt de toekomst van de wetenschap is. Een esthetische wetenschap moet de grondslag leggen voor de toekomst van onze beschaving, voor zoverre deze nog een toekomst beschoren is. Met esthetisering zoals die hier naar voren wordt gebracht, is echter niet esthetiserende sentimentaliteit bedoeld. Veeleer legt ze getuigenis af van het kennen dat de fundamentele eis van onze tijd gewaar wordt, omdat het voldoet aan de eis die het aan zichzelf moet stellen. Dit is het onbevooroordeeld observeren van zijn eigen activiteit. Immers, het kennen doet uit ongevormde waarnemingsstof door de evidentie van de idee de bewustzijnsgestalte van onze wereld ontstaan. Dit ligt niet in een soort afbeeldend begrijpen, maar in een mee vormend mee-voltrekken van de door onze zintuigen in zijn oertoestand terug gevormde werkelijkheid. Hier wordt ook in deze reeks geschriften (zoals eveneens elders in het werk van de schrijver) nader op ingegaan. Op het hoogtepunt van zijn kennend bestaan is de mens daarom niet een door informatie-huiveringen en overlevingsdwingelandijen in zijn onder noodweer opgetrokken toevalsnis teruggedrongen wezen, maar een scheppende vormgever die zijn oprichten van een wereld van bewustzijnsvormen nog door zijn eigen vrijheidsgestalte verheft, een vrijheidsgestalte die hij uit zijn oprichten zelf omhoog stuwt. De zin van zijn bestaan is de wereld een nieuwe betekenis te geven in het vervullen van zijn eigen zingeving en in de spiegel van de wereld van uitdrukkingen, die hij om zich heen ontwerpt, zijn creatieve opdracht te kennen en telkens weer opnieuw te toetsen. Doordat het materialisme met de gesel van ontzetting en het opium van geluk de mens van de huidige tijd verdreef uit de waardigheid van zijn opdracht, heeft het hem overgeleverd aan de saaiheid en ellende der zinloosheid. De sociale esthetica heeft hem opnieuw voor de opdracht en verantwoordelijkheid in te zetten, niet om het overleven veilig te stellen, maar het overworden [Duits: überwerden] te wagen.
            
Indien onze wereld niet het nuttigheidsbijgeloof inwisselt voor het enthousiasme voor schoonheid, zal ze zich met steeds hoger en daarmee steeds meer met het door instorting bedreigde robotgigantisme opzadelen en tegelijkertijd zich met het vergrauwen van de vermorzelende ledigheid ondermijnen. Het enig praktische is het esthetische. Wie tegenwerpt dat het leven geleefd moet zijn eer het met de bloesems der schoonheid zou kunnen worden omwonden, moge zich het antwoord laten welgevallen dat het consequenter zou zijn om met zo’n averecht leven, dat zich vernedert in plaats van de aansporing die er van uit gaat op zijn waarde te schatten, te stoppen en zich aan de fascinatie van angst en hebzucht over te geven.
           
Het eerste nummer van de reeks Sociaal-esthetische Studies bevat de bewerkte en uitgebreide tekst van het reeds lang uitverkochte geschrift van de schrijver Handvest der menselijkheid - De principes van de Algemene Antroposofische Vereniging als levensgrondslag en scholingsweg. Daaraan toegevoegd werd de eveneens bewerkte en uitgebreide nieuwe versie van Een weg naar het geestelijke Goetheanum en Over het Vrije Hogeschoolwezen, die de uiteenzettingen van de eerste verhandeling met wezenlijke gezichtspunten aanvult. In het aanhangsel vindt men de tekst van de principes (oorspronkelijke statuten) van de Antroposofische Vereniging, afgedrukt, die Rudolf Steiner aan haar oprichting tijdens de jaarwisseling 1923/24 ten grondslag legde. (De statuten, die later op verzoek van Rudolf Steiner ook principes van de Algemene Antroposofische Vereniging werden genoemd zoals in deze studie, werden toevertrouwd aan de leden van de oprichtingsvergadering tijdens de jaarwisseling van 1923/24. Sinds enkele jaren worden om ze Oprichtingsstatuten genoemd om ze te onderscheiden van de eigenlijke normale statuten.) Daarmee is een geschrift ontstaan dat voor iedere nieuwkomer in de Antroposofische Vereniging ter oriëntatie nuttig kan zijn, maar dat misschien ook voor degenen die reeds toegetreden zijn bij het heroverwegen van hun besluit welkom is. Dit geschrift is echter ook als studiemateriaal voor degenen bestemd die zich met een belangrijk gebied van de geesteswetenschap van Rudolf Steiner niet alleen receptief maar ook cognitief bezig willen houden. Moge het als Sociaal-esthetische Studie verder een bijdrage zijn tot inzicht in de crisissituatie van onze tijd en de overwinning van de actuele noden.       
                                                                                                                                                                                                                           Herbert Witzenmann 
                                                            Garmisch - Partenkirchen, januari 1984


Ten geleide bij de 2de uitgave van dit nummer

Het in de tweede uitgave verschijnend opstel is de ongewijzigde weergave van de eerste publicatie. [*] Dit lijkt mij gerechtvaardigd, omdat de inhoud ervan mij in principe onveranderd voor ogen staat en de betekenis die ik eraan hecht mijn inziens niet door het verloop der tijd afgenomen heeft. Desondanks had ik gewenst om sommige van mijn uitvoeringen te verduidelijken en aan te vullen. Dit is echter mij ten tijde niet mogelijk, omdat ik door andere dringende opgaven ervan afgehouden ben. Maar ik hoop dat wat ik mij nu moet ontzeggen in een latere uitgave te kunnen achterhalen [**] 

Herbert Witzenmann
Garmisch-Partenkirchen, januari 1984

________________________
[*] 1ste uitgave in "Korrespondenz Nr. 16/17 (1981), Zeitschrift des Seminars für freie Jugendarbeit, Kunst und Sozialorganik, Dornach 
[**] Dit is niet gebeurd. (Noot van de vert.)




vrijdag 26 juni 2020

Deel 5 : De terugblikoefening – een behartigenswaardige raadslag van Rudolf Steiner

De tot nu toe gevolgde gedachtegang zij hier onderbroken om na het invoeren van een kunstgreep waarvan de nuttigheid duidelijk zal worden, weer opgenomen te worden.

Een behartigenswaardige raadslag van Rudolf Steiner houdt in om aan het einde van de dag zijn oorspronkelijk voorwaarts gerichte verloop in de voorstelling rugwaarts te doorlopen. Deze oefening leidt met de nodige volharding geleidelijk aan tot een zelfstandigere beheersing van het gedachteleven dat zich niet meer in de normale volgzaamheid aan de dwang van uiterlijke invloeden overgeeft. Het zielenleven wordt daardoor versterkt om steeds minder aan zijn indrukken en hun gevolg over te laten, en al voortschrijdend meer door innerlijke impulsen de zelfgekozen richting te bepalen en zich van indrukking tot uitdrukking te verheffen. Alle zielsmatige ontwikkeling verloopt in de richting van de overwinning en transformatie van uitgeoefende en meelopende dwingelandij.

Het uitvoeren van deze oefening heeft verscheidene werkingen en aspecten. Een dezer aspecten, die in de onderhavige context van bijzondere betekenis is, zij als een nuttige kunstgreep hier ingevoerd. Deze bijzonderheid betreft het samenspel van het voorlopende en het teruglopende. De dag is in zijn verloop inderdaad het voorlopige binnengelopen, het is een voortdurend binnenlopen van zijn verloop in het voorlopige, want hij werd door een ander, wederom voorlopige ingehaald en afgelost. Van het feit dat in ons dagverloop ook het teruglopende voortdurend een wel degelijk doorslaggevende rol speelt, zullen we in het vervulde beleven pas bewust worden, wanneer wij onze ervaringen met de terugblikoefening maken.

Laten we, teneinde datgene wat nu te bespreken is enigszins concreet wordt, als deel van een dergelijke terugblikoefening ons een werkroute voorstellen, die we ter verduidelijking van de gedachtegang in beeldende benadering aanschouwelijk willen maken. Dit afleggen van een weg zal slechts zo grof beschreven worden als het voor de onderhavige context voldoet.

Men moge zich dus de volgende route in de zin van een voorwaarts gerichte dagverloop voorstellen: We gaan in het huis waar we wonen van de gang drie trappen naar beneden door de voordeur heen, gaan de doodlopende weg op waaraan het huis staat op weg naar de hoofdstraat, keren daarin naar links om, volgen deze, komen links aan de werkplaats van een schoenmaker, rechts langs de etalage van een tijdschriftenwinkel, volgen de rechts van ons stromende rivier, komen links bij een kerk, gaan daarna aan een boekhandel voorbij, steken de brug over de rivier over na rechts, komen direct bij een aan de linkerkant staande school aan, rechts daarvan bevindt zich de fabriek waar we werken. Deze grof aanduidende strepen mogen voldoende zijn.

Nu doorlopen wij (wederom in de zin van het voorwaarts gerichte dagverloop) in de voorstelling de terugweg van onze werkroute, waarbij wij wederom van dezelfde summarische aanduidingen als voorheen gebruik maken: We komen de fabriek uit waarin we werken, rechts tegenover staat de school, we gaan de brug over, keren links om in de langs de rivier lopende straat¸ komen aan de nu rechts van onze richting liggende boekhandel voorbij, de rivier stroomt nu aan de linkerkant van ons zolang we die volgen, dan bereiken we de hoofdstraat, komen links bij de etalage van de tijdschriftenwinkel, rechts gaan we aan de werkplaats van de schoenmaker voorbij, keren naar rechts de doodlopende weg in waaraan het huis staat waarin we wonen, lopen door de voordeur naar binnen, gaan drie trappen op en komen bij de gang waarin onze woonruimte ligt.

Bij dit in de zin van het voorwaarts gerichte verloop van de dag doorgelopen traject vindt bij de terugweg een omkering van de kantenrelaties tegenover de heenweg plaats. Bij het rugwaarts voorstellen blijven daarentegen de kantenrelaties van beide trajecten dezelfde als bij het daadwerkelijke doorlopen ervan. In wat volgt zal duidelijk worden gemaakt dat de oefeningsmatig in het bewustzijn verheven rugwaartse relatie onderbewust ook bij het verloop van de dag van de trajecten plaatsvindt.

Door het denkend omvatten van beide richtingen van de route verkrijgt men meer dan alleen een verhoogde zelfstandigheid en beheersing van de voorstellingsafloop. Wanneer men het rugwaarts voorstellen van het aanvankelijk voorwaarts verlopende uitvoert en met aandachtig observeren begeleidt, wordt men van een element in ons beleven bewust, dat ook normaliter in ons dagverloop steeds tegenwoordig is, maar waar we meestal geen aandacht aan schenken en dus vergeten. In het rugwaarts voorstellen bereiken wij namelijk de oorsprong van onze werkroute en wel de respectievelijke oorsprong van beide trajecten, die de ene keer ruimtelijk in de eigen woning en de ander keer in de werkplaats ligt. Omdat voorstellen een denkbeweging is, zijn we in het rugwaarts voorstellen van de begripsmatige, dus van de ware bewegingsoorsprongen bewust geworden, die eerder liggen dan de eerste respectievelijke stap. We gingen in de zin van de vrijelijke liefdesleer van de Bergrede ervan uit, dat wij, voordat we uiterlijk handelen innerlijk reeds gehandeld hebben en dat dit het beslissende handelen is. Het rugwaarts voorstellen van de in de buitenwereld liggende werkroute leidt ons tot haar oorsprong in ons innerlijk bewegen terug – tot haar oorsprong in ons besluit, dat wederom door onze gedachten bepaald is, die op hun beurt door onze hele gedachterichting, onze gezindheid, de aard van onze wereldbeschouwing hun stempel krijgen. Want de gezindheid, die de richting aan onze werkroute en daarmee aan onze arbeidsprestatie geeft, is het oorspronkelijke dat uitstroomt in ons leven en handelen. Deze oorspronkelijkheid loopt het voorlopige van het traject binnen, dat wij naar onze werkplaats en daarvan terug uitvoeren. Dit traject wordt uit louter voorlopigheden samengevoegd, waarbij de ene de andere aflost. Het voorlopige heeft daarbij de dubbele zin vooruitlopend, voorwaarts lopend in de richting van de aflopende tijd te zijn en verder voorlopig, onbestendig te zijn, omdat het ja voortdurend van iets anders ingehaald wordt dat in het tijdsverloop zich afspeelt. De oorsprong van deze gang van voorlopigheden is echter niet in dezelfde zin voorlopig als deze. Want in de oorsprong van een handeling is de hele handeling ontworpen en geanticipeerd. En ook bij het doelloos ronddolen moeten minstens enkele stappen geanticipeerd en gepland zijn. Alleen wordt deze planning vaak niet in het heldere bewustzijn verheven en daarom snel vergeten. Bij het afleggen van een werkroute blijft de in haar oorsprong gevatte plan van uitvoering steeds aanwezig, het is de regel waarnaar de route verloopt en die ervoor zorgt dat er geen omweg wordt gemaakt. Deze regel is het geheel dat in de afzonderlijke voorlopigheden zichtbaar wordt. Deze regel is niet star, maar fluïde en beweeglijk, want hij past zich aan zijn afzonderlijke verschijningsvormen aan, doordat hij deze bepaalt en op deze wijze met de afloop ervan verbonden blijft. Hij is van een andere aard dan de voorlopigheden die elkaar opvolgen en elkaar buiten werking stellen. Hij wordt niet buiten werking gesteld, maar is bestendig. De wet die door gebod, verbod en toestemming werkt, kan zich alleen in vrije liefde met het hen vrijlatend louterende verenigen.

Het inzicht dat binnen de voorlopigheden steeds weer een terugloop plaatsvindt, namelijk de terugloop naar hun oorsprong, is van grote betekenis. Want alleen vanuit de oorsprong van elke handeling (hetzij een werkroute of een min of meer beduidendere handeling) worden alle zijn verschijningsvormen bepaald. De overgang van een verschijningsvorm van de handelingsverloop, van een voorlopigheid naar een andere, gebeurt niet direct, maar, wat haar innerlijke impulsering betreft, steeds in de oriëntatie op haar oorsprong, in de denkende en vorstellende terugloop daarnaar. Voorloop en terugloop wisselen zich dus in het handelingsgebeuren steeds met elkaar om, bepalen en doordringen zich wederzijds. De uitvoerende voorloop mondt uit in de voorlopigheden van het handelingsverloop, de voorstellende terugloop mondt uit in zijn holistische oorsprong, die niet voorlopig is, maar de voorlopigheden doordringt en overleeft.

Wat voor handelingen geldt, geldt ook voor elke soort beweging. Want het geheel van een beweging is niet door een van onze zintuigen waarneembaar (ook niet met de eigenbewegingszin, waarmee waarnemingen aan de lichamelijke bewegingen optredende spierspanningen gemaakt worden), een beweging is veeleer slechts denkbaar. Waarneembaar zijn alleen de afzonderlijke verschijningsvormen van een beweging, de voorlopigheden daarvan. Van een van deze voorlopige verschijningsvormen van een beweging moeten we in het bevatten daarvan als beweging steeds weer denkend tot de holistische oorsprong daarvan teruggaan die de verschijning ervan ordenend bepaalt en vervult. Het geheel van een beweging is niet in het voorloop tot haar afzonderlijke verschijningsvormen waarneembaar, maar alleen denkbaar in de terugloop tot haar holistische oorsprong, die zich als bewegingsgeheel ontplooit.[1]

Hetzelfde gaat ook helemaal op voor zogenaamde rustende, onbeweeglijke gestalten.[2] Bij de observatie van een voorwerp, zoals een stoel, een tafel of een fles wordt het gevormde geheel van een dergelijk voorwerp eveneens niet in het voorloop tot diens geobserveerde verschijningsvormen bevat. Deze tekenen zich op in het gevolg van de geobserveerde aandachtverrichtingen die wij op het voorwerp richten. Wat op zo’n manier bevat wordt, zijn voorlopigheden waarvan de ene de andere opvolgt en waarbij het steeds opvolgende het voorafgaande corrigeert, aanvult en ontwikkelt. Elk dezer voorlopigheden moeten we echter op het geheel terug betrekken dat zich daarin openbaart. De voortgang en het proces van de observatie is alleen mogelijk bij de voortdurende teruggang naar het slechts begripsmatig vatbaar geheel, dat de oorsprong van diens verschijningsvormen is. Ook hier bepalen en doordringen zich dus voorlopigheid en teruglopigheid en doordringt en overleeft het steeds weer in de terugloop bereikt oorspronkelijke en centrale geheel de periferie van diens verschijningsvormen. Voorloop en terugloop, voorlopigheid en teruglopigheid, vooruitblik en terugblik zijn dus voortdurende gebeurtenissen van ons wakker dagleven, het zijn de voortdurend voltrokken meer of minder bewuste handelingen, waarmee we de gestalten, de vormen van onze wereld, dus onze hele wereld opbouwen. Ook het retrospectieve proces van de uitvoering terug naar de daaraan ten grondslag liggend intentie, die in de terugblikoefening plaatsvindt, begeeft zich in de daadwerkelijke voorwerpsopbouw voor zo ver voortdurend in die zin dat de individualisering van de vloeibaar-holistische begripsvorm door de vastlegging daarvan in de voorlopigheden steeds weer losgemaakt, tot diens, aan het individuele van het verschijnen bovengeschikte, universele vormingsmacht terug wordt gevormd.


[1] Zie hiertoe: “Erkenntniswissenschaftliche Bemerkungen zum Bewegungsproblem” (“Kenniswetenschappelijke opmerkingen over het bewegingsprobleem”, niet vertaald) in Herbert Witzenmann: Intuition und Beobachtung  (Intuïtie en observatie) Deel I, Stuttgart 1977.
[2] Omdat er in de fysieke wereld geen rust bestaat maar alleen langzamere of snellere verandering is, kan onder rust alleen de niet plaatsvindende observatie van veranderingen en het uitblijven van de realisering ervan in de voorstelling worden begrepen. “Rust” is dan het rusten van het in zichzelf rustende begrip in de onveranderde voorstelling.  

donderdag 25 juni 2020

Deel 4: Zou er i.p.v. een op macht georiënteerd ook niet een op liefde georiënteerd onderwijs kunnen bestaan?

Laten we nu proberen om ons een ietwat preciezer overzicht van de toestand van ons hogeschoolwezen te verschaffen, zoals die onder de huidige allenheerschappij van de materialistisch-natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing ontstaat – noodzakelijkerwijs ontstaan moet.

Men verkrijgt de duidelijkste contouren voor dit overzicht wanneer men die voor een achtergrond plaatst, waardoor de tegenstelling in het oog springt. De civilisatorisch-culturele grondrichting van de oudheid zag in het leven in een sterfelijk lichaam en een aards-stoffelijke wereld de taak om geestelijke waarden en werken te scheppen, die de monumenten en richtsnoeren van de ziel op haar weg in de geestelijke wereld waren. Dit is het basiskarakter van de oude culturen die tot aan de Middeleeuwen behouden bleef. Voor deze zicht en gezindheid gold het leven in het lichaam als een dienst aan de geest, als de school voor de vorming van geestelijke vaardigheden van de mens. De levensoogst diende de mens de zekerheid te geven om, uitgerust met de antwoorden op de vragen vanuit zijn diepste verlangens, over de drempel des doods te schrijden. Het lichaam diende de geest, de geestelijke vaardigheden van de mens en alleen met het oog op hun bestemming konden de juiste maatregelen ter verzorging van het lichaam en de civilisatorische bevrediging van zijn behoeften ontwikkeld worden.
Door onze beschaving werd het tegenovergestelde principe tot ideaal verheven. Onze beschaving is onder de heerschappij van een materialistische wetenschap geheel op machtuitoefening heen georiënteerd, de beheersing van een ziele- en geestloze natuur heeft de cultuur tot de cultus van dwanguitoefening gemaakt. Het machtsprincipe als beschavingsprincipe betekent de inzet van al onze geestelijke vaardigheden voor het lichaam en zijn behoeften, voor een deze behoeften bevredigende beschaving. Dit heeft noodzakelijkerwijs tot consequentie een zodanige opvatting wederom over de beïnvloeding van het menselijke lichaam, waardoor naar het lichaam en zijn behoeften heen doelende vaardigheden ontstaan.

Uit dit beschavingsideaal van de inzet van alle vaardigheden van de mens ten behoeve van zijn lichaam komen bepaalde criteria voort voor het hogeschoolwezen. De zuigeling van een op macht georiënteerde materialistisch hogeschoolwezen kan daarvan slechts verkrijgen wat met die materialistische grondrichting overeenstemt. De leer die dit op macht georiënteerd weten overdraagt kan slechts in de ontwikkeling van zodanige vaardigheden bestaan die zich in de strijd om het bestaan, dus in dienst van het lichaam en zijn behoeften bewijzen. Het zijn de vaardigheden die tot broodwinning tuchtig maken, verder de geschiktheid tot coöperatie met gelijkgestemde mensen verlenen, die dezelfde belangen hebben, dus vaardigheden die ter optimalisatie van het totaalrendement nuttig zijn, en tevens zulke vaardigheden die een natiestaat dienen die over de welvaart van allen door de inzet van hun vaardigheden voor hun lichamelijk bepaalde behoeften waakt voor het overleven, zoals men heden zegt. De op macht georiënteerde wetensrichting ontwikkelt dus in eerste instantie vaardigheden voor broodwinning en staatsdienst. In zijn geschrift “Over de toekomst van onze opleidingsinstituten” heeft Nietzsche zeer treffend erop gewezen dat dit tot broodwinning en staatsdienst kwekend opleidingsrendement, dat het opleidingscenter van onze, de menselijke lichamelijkheid vierende beschaving vormt, door twee verdere opleidingseigenschappen, als het ware, geflankeerd wordt. Namelijk zo veel mogelijk opleiding enerzijds, en anderzijds en tegelijk zo weinig mogelijk opleiding. Zo veel mogelijk opleiding enerzijds in de zin van zo veel mogelijk wijdverspreide maar tegelijk ook uiterst verdunde zogenaamde algemene opleiding. De algemene opleiding begrepen als een op de lichamelijkheid geanimaliseerde samenleving is de uitdrukking van de alleenheerschappij van de materialistische wetensrichting, zij verleent een dof thuisgevoel in onze op macht georiënteerde samenleving en overdraagt tegelijk de minimale kennis die iedereen nodig heeft die aan de heden gangbare ontwikkeling en benutting van de behoeftevoorziening en haar middelen wil deelnemen. Deze zo veel mogelijke opleiding bij de algemeenheid komt anderzijds overeen met een zo weinig mogelijk opleiding bij haar vertegenwoordigers – een vernauwing van het weten, kunnen en de oriëntering van de opleidingsdocenten op een zo veel mogelijk beperkt speciaalgebied. Dit in een zo eng mogelijk opleidingskorset gedwongen dienstijver van de op macht en nut georiënteerde opleiding, dus de eigenlijke zaakbeheerders van dit soort opleidingsbedrijf zijn in hun volgepropte bewustzijnsvernauwing de deels bewonderde, deels bespotte voorbeelden van een zo weinig mogelijk opleiding, dat zo ver als maar mogelijk verwijderd is van Goethe’s opleidingsideaal van een alzijdig harmonieuze opleiding tot het mens-zijn.

Onder alle voorbehoud tegenover uitzonderingen kan het huidige op macht en stof georiënteerd, de menselijke lichamelijkheid horig opleidingsbedrijf door die drie basiskenmerken gekarakteriseerd worden. De kern ervan is een aan broodwinning en staatsdienst gewijde bestaansbeheersing. Deze kern wordt enerzijds door een zo veel mogelijk uiterst verdunde algemene opleiding geflankeerd, anderzijds door een zo weinig mogelijk aan ware opleiding in de vertegenwoordiging van een speciaal-opleiding.

Men zou het doel van deze uiteenzetting miskennen, indien men daarin slechts negatieve kritiek zou zien. Veeleer willen ze begrip voor de aangevoerde kenmerken overbrengen, doordat ze deze als vervormingen kenbaar maken van elementen die als zodanig die bij een echt opleidings- en hogeschoolwezen horen. En om aan te tonen hoe nog in de vervormingen een spoor van het echte overgebleven is en hoe men van hieruit de weg naar het echte kan vinden, is juist het doel van deze oefening. Om te beginnen zij echter vast te stellen dat die eigenschappen op de beschreven manier onder de invloed van een op macht en stof georiënteerde wetensrichting optreden. Belangrijker nog is de andere vaststelling dat een op macht georiënteerd opleidingsbedrijf geen antwoord op de schokkendste vragen van het menselijke bestaan weet te geven, op de hoop en twijfel over de zin van de belichaming en het lot – dat dus de menselijke behoefte aan liefde uit een dergelijke opleidingsbron geen voedsel en bevrediging krijgt.

Zou er in plaats van een op macht georiënteerd ook niet een op liefde georiënteerd onderwijs kunnen bestaan? En zou deze wellicht een antwoord op de beide machtigste vragen kunnen geven?

woensdag 24 juni 2020

Deel 3 : De materialistische natuurwetenschap bepaalt de bewustzijnstoestand van de huidige mensheid

Laten we om te beginnen een blik werpen op de huidige stand van zaken van ons hogeschoolwezen en de wijze waarop het in ons sociaal-maatschappelijk leven, onze beschaving ingebed is. Wat daarover over het algemeen kan worden uiteengezet, sluit uitzonderingen niet uit die in enkele gevallen geheel anders geaard kunnen zijn, doch is het vaker voorkomende juist ook voor hen de voorwaarde waarmee ze geconfronteerd zijn.

Met de nieuw opkomende onrust na een periode van rust of uitputting onder  jonge mensen komt ook weer de discussie over de stand van ons onderwijssysteem op gang. Reeds aan het begin van deze overwegingen werd op de fundamentele betekenis van onze wereldbeschouwing gewezen die alle details van onze levensstijl draagt. We gaan immers steeds uit van een totaalbeeld die de meer of minder heldere, de meer instinctief gewoonheidsmatige of meer bewust doelmatige voorwaarde van al onze handelingen en gedragswijzen vormt. De verzamelde en uitstralende uitdrukking vinden deze voorwaarden in het soort onderwijssysteem dat in een tijdperk of cultuurgebied ontstaat. Al het nadenken over de gezindheids- en bewustzijnsvormende  stromingen die, uitgaand vanuit de onderzoeks- en onderwijscenters, een levenskring doordesemen, heeft zich daarom van oudsher met het totaalbeeld bezig gehouden dat ten grondslag aan dit onderwijssysteem ligt. En terecht heeft men in de didactische en pedagogische discussie steeds de noodzakelijkheid van een volbewust totaalbeeld benadrukt, enerzijds het ontoereikende van het bestaande met zorg of zelfs met verontwaardiging gekenmerkt, anderzijds zich voor het hoge ideaal van de te vervullen taak geestdriftig ingezet. Zo hebben we het in de beroemde voorlezingen van Schelling “Over de methode van academische studie” of later in de voordrachten van Nietzsche “Over de toekomst van onze opleidingsinstituten” vernomen.

Het staat buiten kijf dat het totaalbeeld, de soort kennisrichting en themaverzameling die het huidige hogeschoolwezen zijn karakter oplegt die van de moderne natuurwetenschap is. Deze bepaalt immers volledig de bewustzijnstoestand van de huidige mensheid en daarmee het karakter van onze beschaving tot in haar verste uitlopers.

Het basiskarakter van deze huidige materialistische natuurwetenschap kan in een eenvoudige formule gevat worden: het is dat soort wereldbeschouwing waarvoor er geen andere brug tussen buiten- en binnenwereld bestaat dan de heersen-ingreep van de mens in een natuur die haar spruit vernietigt als deze zich haar niet bemachtigt, als deze haar niet vervormt, verbruikt en uitbuit. De macht van de mens, die hij in het geweer tegen hem bedreigende macht uitoefent is voor dit soort wereldbeschouwing de enige verbinding tussen datgene wat hij, gecentreerd om het middelpunt van zijn innerlijk beleeft, en het andere wat hem, dat haar nietigheidsmiddelpunt is, als een uiterlijke wereld omringt. Op de vraag naar de zin van ons leven in een sterfelijk lichaam en ons lot binnen een maatschappelijk verband, binnen een beschaving geeft de materialistische natuurwetenschap geen antwoord. Ja, zij moet deze vragen zelfs als zinloos afwijzen, want haar eigen vragen en antwoorden hebben uitsluitend betrekking op de vaststelling van materiële feiten en verbanden.

Deze karakterisering is niet nieuw, ze werd vaak gegeven. Het gaat evenwel niet in eerste instantie om de details die hier naar voren worden gebracht, maar alleen om het verband, waarvan het overzicht iets nieuws inzichtelijk wil maken.

Men nadert de opgave om zich een opvatting over de idee en werkelijkheid van een vrije hogeschool te verschaffen, wanneer men zich ervan bewust maakt dat de mens in zijn innerlijkste zielendomein naar iets anders dan macht verlangt. Zijn waar wezen verlang er niet naar om een ecologische niche te verdedigen in de strijd tussen macht en tegenmacht, niet om nut, winst, succes om al de benodigdheden van het overleven. Waar hij ten diepste naar verlangt zegt hem de vooruitblik op zijn aankomende dood en het staan voor de drempel des doods. Hier wordt al het succes, al het nut nietig, en gaat het er alleen nog om wat hij als antwoord op zijn lijdzaamste vragen, die naar de zin van zijn belichaming en de macht der gebeurtenissen van zijn lot in zichzelf draagt. Alleen nog het inzicht of de vertwijfeling, die hij in de hoop op of de vrees over het voortbestaan of de vernietiging van zijn ziele-geestelijk wezen na de dood verkreeg, heeft bestand, wanneer alle larven der zelfillusie afvallen. Hieruit wordt duidelijk waar wij, in plaats van macht, in de diepte van ons wezen naar verlangen. Het lijdzaam verlangen en de inhoud van ons zuiverst streven is een wereldomvattende zekerheid die een echte vereniging van ons innerlijk is met alles wat ons van buiten tegemoet komt. We behoeven (omdat we anders niet onszelf zijn) een geborgenheid van ons ziele-geestelijk wezen in een geestelijk geordende en doordesemde wereld, de goedheid en wijsheid over ons wakende machten, het heenkomen van onze geestelijkheid bij de wereldgeest. Dit betekent echter hetzelfde als de existentiële verwachting op een antwoord op de zingevingsvraag die onze belichaming en ons lot betreft. Deze vraag kan niet door macht en onderwerping beantwoord worden, maar alleen door de echte vereniging van binnen en buiten. Ware vereniging is echter niet macht, maar liefde, liefdevolle toeneiging van de wijze machten tot de mens en liefdevol heenkomen van de mens bij de alwijsheid, vrij samenzijn in de verbintenis die door wezen in wezen ontstaat.

Mensen verlangen in hun innerlijk niet naar macht, maar naar liefde. Alleen wanneer er een liefdevolle vereniging tussen mens en wereld bestaat, zouden de vragen naar de zin van onze belichaming en ons lot beantwoord kunnen worden. Elke opvatting die macht huldigt, verheft niet alleen de haat voor alle wezens tot een wereldprincipe, maar ook de zelfhaat tot een kennisprincipe, omdat deze de zin van de eigen existentie uitblust.

dinsdag 23 juni 2020

Deel 2 : Een ware hogeschool moet op de vragen naar de belichaming en het lot deugdelijke antwoorden geven.

Dat onze wereldbeschouwing ons handelen tot in zijn meest onbeduidende verrichtingen bepaalt, dat het begrijpen van datgene wat wij als wezenlijk en essentieel in de wereld en mens beschouwen het gezicht van onze beschaving vormt die wij toch van binnenuit rond om ons uitbreiden – dat begint men, ontwakend uit de welvaartsluimering, in te zien. Men vangt immers aan zich in de ogen te wrijven en naar de zin van het al te vragen – de zin van onze leefstijl en überhaupt van ons bestaan. De vraag van Leibniz: “Waarom is er iets en niet veeleer niets?” beantwoorden vele jonge mensen door geweldpleging of “uitstappen” in fysieke en zielsmatige verdovingen, wij horen hen woedend of uitgeput steunen: “Het zou veel beter zijn als er niets was!” Het ziele-geestelijke ontervingsgevoel dat onze generatie steeds verwoestender uitholt, kondigt zich in zulke verwerpingen van de eigen existentie aan. Deze bewustzijnshouding te observeren en te begrijpen is belangrijker dan er een stempel van een waardebepaling op af te drukken.
Als we ons de moeite getroosten om de ontevredenheidsplaag van onze tijd te begrijpen, dan merken we uiteraard al op het eerste gezicht dat daarin twee belevenissen samenkomen: het ellendige gevoel van belichaming enerzijds (waarom ben ik ertoe verdoemd voor mijn lichaam en andere lichamen te wroeten?) – en anderzijds het zinloosheidsgevoel jegens het lot (waarom leef ik in een maatschappelijk verband, een beschaving die mij geen antwoord op het indringendste lijdzaam verlangen van mijn ziel geven, mijn geest geen doel kan aanwijzen dat deze met vrij uitslaande vleugels kan nastreven?).
Dat in deze pijnlijke ervaringen twee stromingen elkaar treffen die de mensheid doordringen, omdat ze in elk individueel mens samenkomen, treedt indrukwekkend voor ogen. Het zijn de twee stromingen van natuur en cultuur die, zich in elk individu verenigend, het schouwtoneel vormen waarop het individu de rol van zijn leven speelt. Een van deze stromingen, het natuurgebeuren, heeft de mens aan zijn lichaam te danken, de andere stroming, het cultuurgebeuren, vormt de omtrek van alle gebeurtenissen en omstandigheden die als zijn lot zich aan hem voordoen.
Daarmee hebben we een eerste zicht op onze problematiek bereikt. Want een ware hogeschool die rekening houdt met onze diepste en echtste behoeften en ze wil bevredigen, moet op beide hoofdvragen van het menselijk bestaan deugdelijke antwoorden kunnen geven, op de vragen naar de belichaming en het lot.

maandag 22 juni 2020

Deel I : De zachtmoedige koenheid die alle dwang weerstaat

De woorden van de Bergrede uit Mattheüs 5, Lukas. 6 zijn het, die men het liefst niet hoort en het makkelijkst vergeet – hoewel ze eenieder, ook als men ze niet uit de evangeliën kent, door het eigen geweten zou kunnen vernemen. Wetten die zich niet in gezindheid veranderen kunnen immers de zielen niet louteren, en slechts een uiterlijk gevolg geven aan verboden kan hun geestelijk gehalte niet belichamen. Wat die zo ernstige en vriendelijke woorden vervulling, niet annulering van de wet noemen, is het hoge lied der menselijkheid, de zachtmoedige koenheid die alle dwang weerstaat. Wij allen kennen dat lied, want het klinkt in iedereen. Wie handelt, heeft reeds gehandeld. Wat wij in het uiterlijk doen volbrengen, hebben wij reeds van te voren in gedachten gedaan.

Wie de gedachte aan een roof weet te vatten, die heeft reeds geroofd, ook wanneer die voor de materiële roof terugdeinst. Want die heeft zichzelf geroofd en een draad van de geheime band verscheurd die alle mensen omhelst. Wie niet de eigen edelheid vertrouwt, brengt de vertrouwensgrond aan het wankelen die de mensen dragen. Daarom is het dom om te geloven dat uiterlijke nalatigheid de gekwetste waarheid en menselijkheid zou kunnen helen, en is het niet minder dom om te menen dat uiterlijke macht de verbinding van menselijke geestwezens stuk zou kunnen maken.

Een uiterlijk verbod kan een van binnen komend handelen niet verhinderen. Want dat gebeurt ook bij het achterwege laten van de uiterlijke uitvoering ervan. Verboden veroorzaken onwaarachtigheid en zijn daarom zelf onwaarachtig. Een verandering die menselijk geldig is en niet alleen uiterlijk voordelig, kan daarom niet door uiterlijke macht bewerkstelligd worden, ook al mag die de geslepen maagd der conventionele leugen zijn. Een verandering van gezindheid kan zich alleen in het innerlijk van de mens voltrekken en het echte voortbestaan daarvan trotseert elke ingreep van dwang. Verandering en bevestiging van het gemoed vinden niet plaats door macht, maar door liefde, die vernieuwende kracht die de ware, schone en goede harmonieën onder alle wezens opvrolijkt en beschermt. Deze echte en edele liefde is de eerbied voor de geestesgestalte die in elk mens en onder alle mensen werkzaam is. Niemand die haar adel ontwaart, kan haar verrader zijn, door te trachten haar de ketens van dwang aan te leggen. Wie zich een oordeel over menselijk handelen wil vormen, mag niet naar zijn uiterlijke verschijningsvorm blikken, maar naar zijn innerlijke oorsprong, haar ziele-geestelijke onderbouwing.